Rijksbeleid

Voorgeschiedenis
In de Nota Ruimte zijn beleidsuitspraken over windenergie opgenomen op basis van de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW) tussen vijf ministeries, het IPO en de VNG. In de Nota is een sleutelrol weggelegd voor de provincies bij het aangeven van locaties voor windturbines. De Nota Ruimte geeft aan dat ‘(het behalen van de) rijksdoelstelling voor windenergie een dwingende reden is van groot openbaar belang.

Op 30 januari 2008 spraken rijk, provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), een aantal natuur-, milieu- en andere maatschappelijke organisaties af om gedurende deze kabinetsperiode samen te werken aan de doelstelling uit Schoon en Zuinig. Dat wil zeggen: in totaal 4.000 MW vergund en/of gerealiseerd windvermogen op land in 2011.

In de periode tot 2020 zou ruimte beschikbaar moeten komen voor nog eens minimaal 2.000 MW [1]. Het totaal voor windenergie op land komt hiermee op 6.000 MW. Het Rijk kiest voor windenergie omdat dit de meest rendabele vorm van duurzame energieopwekking is.

Op de site van de Rijksoverheid is dit duidelijk aangegeven:
“Om de doelstelling van 14% duurzame energie in 2020 te halen, wil het kabinet de capaciteit van windenergie de komende jaren fors verhogen. Voor wind op zee ziet het kabinet op korte termijn, gelet op de kosten, geen belangrijke rol weggelegd in de energievoorziening. Daar moet door innovatie eerst de kostprijs dalen. Windparken op land opereren veel rendabeler. Daarom verwacht de overheid dat wind op land in de periode tot 2020 wel een belangrijke rol kan spelen bij het behalen van de energiedoelstellingen. Het doel is 6000 megawatt opgesteld vermogen in 2020.”

Huidige duurzaamheidsdoelstellingen
De rijksambities ten aanzien van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040 zijn op dit moment vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De rijksoverheid heeft in het energieakkoord de duurzaamheidsambitie opgeschroefd naar een opwekking van 16% duurzame energie in 2023.

Vanuit de structuurvisie is gewerkt aan een uitwerking voor de realisatie van windturbines. Deze uitwerking is verankerd in de (ontwerp) ‘Structuurvisie Windenergie op land’. Hierin verwoordt het kabinet een ruimtelijk plan voor de doorgroei van windenergie op het grondgebied van Nederland. De belangrijkste doelstelling van dit plan is, om de ruimtelijke voorwaarden te scheppen waarmee in 2020 een opwekkingsvermogen van ten minste 6000 megawatt (MW) aan windturbines operationeel is. In de structuurvisie geeft het kabinet een visie op de realisatie van windenergie, wijst het concrete gebieden aan die geschikt zijn voor zeer grootschalige windturbineparken (groter dan 100 MW) en beschrijft het een taakverdeling tussen het Rijk en de provincies. De aangewezen gebieden komen deels overeen met gebieden die de provincies op het oog hebben. De provincies hebben in 2013 een definitief akkoord bereikt over de onderlinge verdeling van de 6000 MW op land. Waar de windturbines gerealiseerd worden is afhankelijk van lokaal draagvlak en de markt. Wanneer blijkt dat bepaalde gebieden afvallen, zullen de betreffende provincies alternatieve gebieden moeten aanwijzen. De onderstaande tabel geeft de provinciale verdeling van het totaal aan MW windenergie op land weer.

 

Provincie

MW Totaal

Fryslân

530,5

Groningen

855,5

Drenthe

285,5

Overijssel

85,5

Noord-Holland

685,5

Flevoland

1.390,5

Zuid-Holland

735,5

Utrecht

65,5

Gelderland

230,5

Zeeland

570,5

Noord-Brabant

470,5

Limburg

95,5

Totaal

6.001,0

[1] VROM publicatie Hoort de Wind Waait, 15 september 2009, pagina 7